Begrippen in de zeilwereld

Afmeren: het bevestigen van een boot aan een steiger

Afvallen: de boeg van de wind afsturen

Bakboord: de linkerzijde van een zeilbootafonsodomingos2011isafsailingworldchampionshipsbunhqaygq7wl

Gieren: herhaaldelijk zwenken van bakboord naar stuurboord of omgekeerd, door de wind, waardoor de vaart vermindert

Gijpen: door de wind overstag gaan

Haven: een natuurlijke of aangelegde ligplaats voor schepen

Helmstok: hendel die bevestigd is aan het roer en gebruikt wordt om te sturen. Men spreekt ook van helmhout als het fraai is afgewerkt.

Koersen: de richting waar het schip heen gaat. Er zijn een aantal koersen, te weten:

  • In de wind: hier ligt de zeilboot met de voorkant in de wind
  • Aan de wind: de wind komt schuin van voren en vormt een hoek van 60 graden met de kiellijn
  • halve wind: de wind maakt een hoek van 90 graden met de kiellijn
  • Ruime wind: de wind komt schuin van achter
  • Voor de wind: De wind komt recht van achter waarbij de zeilen zo ver mogelijk uit elkaar staan

Kiel: de ruggengraat van het schip

krimpen: het veranderen van de wind tegen de wijzers van de klok in

Kruiphoogte: de afstand van het wateroppervlak tot het hoogste punt van de boot.

Laveren: zigzagsgewijs tegen de wind op zeilen. Het wordt ook wel opwerken of opkruisen genoemd.

Overstag gaan: door de wind over een andere boeg gaan zeilen, door de koers zodanig te wijzigen, dat men eerst recht tegen de wind in komt te liggen.

Spinnaker: een voorzeil dat gevoerd wordt voor de voorstag op een spinnakerboom.

Spinnakerboom: stang die gebruikt wordt om de loefzijde van de spinnaker te fixeren.

Stag: zwaar touw of kabel die de mast ondersteunt

Strijken van de zeilen: het laten zakken van de zeilen

Stuurboord: de rechterzijde van een zeilboot

Trimmen: aanpassen van zeilen, zwaarden, mast en kiel om het schip betere vaar mogelijkheden te geven.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *